Hannes D'haese

Geïnspireerd door

My Muse My Muse

When I met my muse, in 2007, I had all but given up on being an artist.
I was just an empty shell, waiting to be thrown away.
I was a world traveller, but I only travelled from country to country,
from bar to bar and once in a blue moon I would make a painting.
But then I met the most wonderful woman who gave me back my heart and my soul.
She is smart, beautiful and most of all very special.
She gave me back my life and when I fell in love with her, I became the artist
I am now. Without her I would not even be an artist and my life would have no meaning.
But for now, thanks to her, I am simply emotion in motion.
D´haese (°1965- )


Begga D'haese

Begga D'haese (°1934-)

Begga D'Haese werd geboren in Aalst, in een gezin waarvan er later ook twee zonen beeldhouwer zouden worden, namelijk Reinhoud en Roel D'Haese.

 

Het lag niet voor de hand toen ze besloot om naast haar huiselijke bezigheden ook nog beeldende kunstenares te worden. De sculptuur lag haar blijkbaar het nauwst aan het hart. En de academie? "Ik ben een natuurtalent", zegt ze kordaat. En ja, er moet wel een en ander genetisch bepaald zijn bij Begga D'Haese, want aan kunstenaars, muziekliefhebbers en dergelijke ontbreekt het in de generaties voor en na haar zeker niet. Langs haar moeders kant, deze van de Tinels, was haar overgrootvader al een ebenist en een oom was beeldhouwer. En sedert de zestiende eeuw waren ze bakkers, van generatie op generatie. Het kneden en de materie naar zijn handen zetten, zat er dus al ruim wat generaties in. Echt ingebakken. Ook vandaag telt de familie nog bakkers en deze beschouwen zichzelf wel degelijk als kunstenaars. En terwijl bij haar voorouders naast de patroonheilige van de bakkers ook de muze van de muziek kind aan huis was, heeft zich ook dat ruimschoots bij haar nakomelingen doorgezet. Hoe dan ook, bij Begga waren het vermoedelijk de gaven van de bakkers die haar tot beeldhouwen brachten.

 

Ze trok naar de technische school van Veurne om daar te leren lassen om metalen sculpturen te fabriceren, want ze dacht dat ijzer 'haar' materiaal was. Voor het 25-jarig bestaan van de school maakte ze samen met de leerlingen van de lasklas een vier meter hoog en duizend kilo wegend metalen monument dat pal voor het etablissement werd geplaatst. In dat eerste jaar van productie haalde ze twee keer "The Times" en in 1970 verkocht ze op de "Kunstmesse" in Bazel een sculptuur - een schaakspel - aan een kunstverzamelaarster van Zwitserland.

www.beggadhaese.be


Roel D'haese

Roel D'haese (°1921-1996)

Roel zag het levenslicht te Geraardsbergen in 1921 als broer van Reinhoud D'Haese en van Begga D'Haese, beiden ook beeldhouwers met een opvallende stijl. Van 1935 tot 1938 liep hij academie te Aalst. Daarna woonde hij in Sint-Genesius-Rode en werkte hij aan het Brusselse Ter Kameren onder de hoede van Oscar Jespers. In 1954 werd hem de net ingestelde Prijs Jonge Belgische Beeldhouwkunst toegekend waardoor de kunstverzamelaar Bénédict Goldschmidt zijn werk toevoegt aan zijn kunstverzameling.


Karel Appel

Karel Appel

Karel Appel (°1921-2006)

Karel Appel (Amsterdam, 1921) ontmoette begin jaren veertig, tijdens zijn opleiding aan de Rijksacademie in Amsterdam, Corneille. In 1946 reisde Appel met hem naar Luik en een jaar later exposeerden ze samen. Na een tussenstop in Parijs keerden ze terug naar Amsterdam. Daar leerden ze Constant kennen en in 1948 exposeerden zij gedrieën in Amsterdam.

Op 16 juli 1948 richtten Appel, Corneille en Constant samen met Anton Rooskens, Theo Wolvecamp en Jan Nieuwenhuys (de broer van Constant) de Nederlandse Experimentele Groep op. Appel was op 8 november 1948 medeoprichter van CoBrA. Waarschijnlijk is hij in Nederland het meest bekende lid van de beweging. Hij werd vooral beroemd om zijn credo "Ik rotzooi maar wat aan". Zijn werk veroorzaakte in de Nederlandse kunstwereld van de veertiger en vijftiger jaren veel deining. Zo bracht zijn wandschilderij "Vragende kinderen" uit metricconverterProductID1949 in1949 in de kantine van het Amsterdamse stadhuis een waar schandaal teweeg. Op aandringen van verontwaardigde ambtenaren werd deze `twist-Appel' zelfs door de gemeente bedekt en ging het kunstwerk dus schuil achter behang, tien jaar lang.

Appel heeft altijd de oproep tot directe expressie in verf voorgestaan, meer dan de door Constant bepleite marxistische analyse van de westerse beschaving. Aan de theoretische pamfletten van Constant en Dotremont heeft hij dan ook nooit veel aandacht besteed. In de Cobrajaren schilderde hij in felle kleuren, simpele vormen en met stevige lijnen vriendelijke, onschuldige kindwezens en fantasiedieren.

Ook na het uiteenvallen van CoBrA heeft hij de gevoelsmatige benadering van zijn onderwerp weten te behouden. In de jaren vijftig ontwikkelde hij een steeds heftiger schildertrant; lijn en kleurvak smolten samen in een bewogen verfmassa. Naast schilderen heeft de veelzijdige Appel zich ook bezig gehouden met het maken van assemblages en beeldhouwwerken en het schrijven van gedichten.

In 1953 was zijn werk te zien op de Biënnale van Sao Paulo en in dat jaar had hij tevens zijn eerste grote solotentoonstelling. In 1954 kreeg hij solotentoonstellingen in Parijs en New York. Deze markeerden het begin van een internationale carrière. "Ik schilder als een barbaar in deze barbaarse tijd."


Reinhoud

Reinhoud

(Geraardsbergen, 1928 - Parijs, 1 juli 2007) was een Vlaams beeldhouwer, tekenaar en graficus, die zijn naam vanaf 1960 beperkt heeft tot zijn voornaam Reinhoud. Hij was de broer van de beeldhouwers Begga D'Haese en Roel D'Haese.

 

Hij kreeg zijn eerste opleiding bij een Brusselse goudsmid. Van 1946 tot 1950 genoot hij zijn artistieke opleiding in de metaal- en beeldhouwkunst aan de toonaangevende École nationale supérieure des arts visuels (ENSAV), voorheen de École Nationale Supérieure d'Architecture et des Arts Decoratifs (ENSAAD - la Cambre) in de vroegere Abdij Ter Kameren aan de zuidkant van Brussel, waar hij tussen 1946 en 1947 opleiding kreeg van Oscar Jespers. Hj volgt tevens avondlessen industrieel tekenen en vanaf 1947 volgt hij ook lessen in drukwerk aan de "School voor Kunsten en Ambachten" te Brussel.

 

Hij werd in 1949 geïntroduceerd door Strebelle in het Marais-atelier te Brussel. In 1950 maakte hij er kennis met Pierre Alechinsky en werd door hem geïntroduceerd bij de andere Cobra-leden, . Hij participeerde samen met hen aan verschillende CoBrA-tentoonstellingen, zoals de "IIde Internationale Tentoonstelling van Expirimentele Kunst (COBRA°" in het Palais de Beaux-Arts te Luik in 1951. Hij vestigt zich eerst als smid en maakt gebruikssmeedwerk en siersmeedwerk op bestelling. In 1956 breekt hij door als artiest met een individuele tentoonstelling in de Galerie Taptoe te Brussel, waar hij de "Prix de la Critique" krijgt.

 

Hij kreeg de Prijs van de "Jonge Belgische Beeldhouwkunst" in 1957. Pas in 1958, toen de CoBrA al geruime tijd uit elkaar was gevallen, vond hij zijn eigen artistieke richting. Hij werkt in de periode 1958-1959 samen met Pierre Alechinsky in zijn zomer-werkplaats in Sauvagemont (Waals Brabant) en participeert samen met hem aan verschillende tentoonstellingen. In deze periode leert hij ook de Deen Børge Birch kennen. Deze is de houder van de belangrijke Galerie Birch in Kopenhagen.

 

In 1959 kreeg hij een studiebeurs van de Belgische Staat en ging van dan af in de omgeving van Parijs werken en later in enkele andere plaatsen in Frankrijk, zoals Saint-Rémy-de-Provence. In 1960 werkte hij samen met zijn vriend Pierre Alechinsky in Bosse (Oise). Aangemoedigd door hem begint hij in 1962 te tekenen en geeft reeds in hetzelfde jaar een eigen tentoonstelling in de Lefebre Gallery in New York, waarbij de inleidende tekst geschreven werd door een ander CoBrA-lid Christian Dotremont.

 

Oorspronkelijk begon hij met het koperlassen van tot monsters vergrote insecten (zoals "Mante religieuse", 1956) en kregen zijn creaties plantaardige en menselijke allures, vanaf 1960, om uit te monden in vaak groteske hybridische wezens (zoals "Grégoire", 1960), waarbij hij zich onderdompelt in de originaliteit van het fantastische realisme. Hierbij gebruikte hij in hoofdzaak geel en rood koper, lood en peauter (koper + tin), omdat hij met deze materialen gemakkelijker kon vorm geven aan zijn fantasierijke creaties.

 

Bij een bezoek aan Kopenhagen, maakte Reinhoud enkele kleine sculpturen gekneed in brood voor Børge Birch. Deze was hierdoor gefascineerd en stelde voor deze sculptuurtjes te bedekken met zilver of koper in een elektrolysebad. Deze sprookjesachtige figuurtjes werden een groot succes voor Reinhoud en dit was het begin van een hele reeks hiervan. Deze metamorfe figuren gelijken soms op een insect, dan weer op een vogel en voeren groepsgewijs menselijke activiteiten uit. Reinhoud stelde meerdere malen tentoon in de Galerie Birch (1961, 1965, 1969, 1973, 1977, 1985 en 1986).

 

Hij experimenteert verder in 1962 aan zijn stijl met metalen voorwerpen gemaakt met verfrommelde metallische bladen, zoals "Le Bibendum". In 1963 produceert hij zijn eerste werken in nieuw zilver. In het jaar daarop reist naar het "Instituto Torcuato di Tella" in Buenos Aires, Argentinië. Hij huwt met de fotografe Suzy Embo in 1964 en vestigt zich in Parijs. In het jaar daarop experimenteert hij met grote personages in krantenpapier en kippengaas. Hij creëert in 1968 een aantal sculpturen zonder hoofd, die hij toepasselijk "Migraines" noemt. In 1969 maakt hij een aantal houten sculpturen .

 

Hij hertrouwt in 1970 met Nicole Rémon. Hij verbleef ook een korte tijd (1974-1975) in de Verenigde Staten, eerst als gastprofessor aan het Minneapolis College of Art and Design. In deze periode werkt hij vooral in koper en messing. Daarna reist doorheen de Colorado woestijn, de Nevada woestijn en tenslotte in Mexico. Bij zijn terugkeer verblijft hij beurtelings in Parijs en La Bosse in de periode 1976-1978.

 

Hij trekt elke zomer naar de Provence. Vanaf 1980 gaat hij regelmatig naar Normandië en begint hij keien te gebruiken in zijn werken. In 1982 ontwikkelt hij een gravureprocedé met resten van zijn sculpturen en vlakken metaalbladen.

 

Hij maakt in 1983 een bas-reliëf "Stop the Run" voor het metrostation Ossegem in Brussel. In 1987 werkt hij in Morville (Normandië). In 1992 legt hij zich weer toe op het tekenen. Reinhoud D'Haese overleed op 1 juli 2007 op 79-jarige leeftijd aan een hersentrombose.

 

Deze website is een creatie van PixelMedia - www.pixelmedia.be

PixelMedia Multimedia Productions- www.pixelmedia.be